HUGO KAAGMAN  STENCIL KING
AI ART
Koecrandt en Gallerie Anus   In 1977 was punk nog geen afgebakend begrip, en daarmee aantrekkelijk voor jongeren met artistieke ambities. De bewoners van de Amsterdamse Sarphatistraat 62-64 (vanaf 1981 bekend als het Zebrahuis, vanwege de gevelschildering in zebraprint), maakten volop gebruik van de nieuwe creatieve mogelijkheden, wat resulteerde in een grote hoeveelheid activiteiten en publicaties. Drijvende kracht achter de activiteiten in het pand waren stencilkunstenaar Hugo Kaagman en dichteres Diana Ozon, die samen met dichter Kristian Kanstadt, muzikant Ludwig Wisch, Ivar Vičs (alias Dr. Rat) en Johan van Leeuwen de Koecrandt maakten, en in het pand achtereenvolgens punkclub DDT 666, werkplaats annex winkel annex ontmoetingsplaats Gallerie Anus, winkel Galerie Ozon en Galerie Zebra oprichtten.   Diana Ozon en Hugo Kaagman benaderden punk als een kunstzinnige stroming. Voor hen was punk een logisch vervolg op het Dadaïsme en Fluxus, de nieuwe Provo. Met hun activiteiten wilde het tweetal de punkbeweging actief stimuleren en de tegencultuur nieuw leven inblazen. Op papier en in het pand verbonden de twee punk met kunst, de tegencultuur van de jaren zestig, literatuur en rasta. Het tweetal werd beticht van intellectualisme, al had Ozon alleen haar middelbare schooldiploma gehaald. Veel punks waren jonge pubers en een iets hogere leeftijd (Ozon en Kaagman waren respectievelijk 18 en 22 in 1977) was al gauw verdacht in punkkringen. Toch hadden de Koecrandt en het pand aan de Sarphatistraat van meet af aan een essentiële functie in de infrastructuur van de punkbeweging.    Mail art en happenings   Hugo Kaagman en Diana Ozon leerden elkaar kennen via Plug, het tijdschriftje van het Cultureel Jongeren Paspoort, dat in de matte jaren voor de punktijd populair was onder alternatieve jongeren. In de Plug stonden allerlei advertenties. Ozon: “Hugo plaatste absurdistische oproepen, als ‘kapmes en dragers gezocht voor reis naar Zuid-Amerika’, of ‘spullen om gratis op te halen’, gevolgd door een hele waslijst met objecten als afgodsbeeldjes. Hij maakte conceptuele kunst van de advertentiegelegenheid.” Toen Ozon een oproep deed om gelijkgezinden te vinden, reageerde Kaagman met een bombardement van mail-art, onder verschillende pseudoniemen. Een langdurige mail-art correspondentie volgde.    Op beiden had de revolutie van de jaren zestig grote indruk gemaakt. Diana Ozon groeide op in oud-Zuid, waar Provo actief was in de jaren zestig, maar waar ze ook de ellendige uitwassen van het hippiedom in het Vondelpark van dichtbij meemaakte. Hugo Kaagman (1955), net een paar jaar ouder dan de meeste punks, geloofde als jonge tiener even echt in de hippierevolutie. Op zijn vijftiende liep hij van huis weg, om vanuit zijn geboortestad Haarlem naar Amsterdam te liften, waar hij zich bij de Damslapers voegde. Kaagman: “Roel van Duijn had net Oranje Vrijstaat opgericht en we dachten allemaal dat alles anders zou worden. Amsterdam was echt een Magies Sentrum in die tijd, waar hippies naar India stonden te liften.”  Toen Kaagman in 1972 naar Amsterdam verhuisde om er sociale geografie te studeren, was de sfeer omgeslagen en tegen 1975 was er niks meer over van de hippiecultuur. Wat in die tijd nog voor enige verademing zorgde was de Fred Haché Show, met Sjef van Oekel en Barend Servet. Het televisieprogramma was een creatie van Fluxus kunstenaar Wim T. Schippers. De show nam alles op de hak, was de meligheid ten top, spotte met de wetten van televisie en zette kijkers op het verkeerde been. Kaagman’s interesse was gewekt.  In 1976 schreef Kaagman een scriptie over de wisselwerking tussen kunst en samenleving, waarin hij de lijn van het dadaïsme, naar Fluxus en Provo volgde, om uit te komen bij de Fred Haché Show, waarin ‘de nieuwe mentaliteit’ een breed publiek bereikte. Kaagman behaalde er zijn kandidaats mee, maar dat weerhield hem er niet van zijn studie te beëindigen, ontmoedigd door het slechte economische klimaat. Ter afsluiting van zijn studietijd organiseerde hij een happening. “Ik huurde twee studenten in voor 25 gulden, maakte een spandoek met de tekst ‘vive les étudiants’ en liet ze als demonstranten door de straten van Amsterdam marcheren. Het was om het studentenprotest belachelijk te maken, studenten demonstreerden om de raarste dingen. De happening was geïnspireerd door Wim T. Schippers, die immers ook mensen inhuurde om te zeggen wat hij wou. Sjef van Oekel sprak zijn woorden uit.”  Aan het eind van het jaar vertrok Kaagman naar Marokko, waar hij tijdens zijn studie al een aantal keer heen was gelift. Hij verbleef drie maanden in Fez, bij de Bab Boujeloud poort, die toegang gaf tot het centrum van de stad. De taferelen daar ervoer hij als een ready made happening. “De poort leek wel een tijdmachine. Zodra een reiziger de poort doorging, kwam hij oog in oog te staan met gidsen, bedelaars, gekken en dealers. Een ware cultuurschok. Iedereen wil wat van je, er zijn overal geluiden en het is druk. Het was puur situationisme.” Tijdens zijn verblijf schreef hij een verslag van zijn bevindingen, wat resulteerde in het boek Bab Boujeloud, dat hij in juni 1977 in eigen beheer uitgaf.  Eenmaal teruggekeerd van zijn reis, schreef Kaagman zijn correspondentievriendin Diana Ozon over Bab Boujeloud, waarop ze elkaar eindelijk in levende lijve ontmoetten. Ozon woonde inmiddels in Amsterdam en studeerde net op de Rietveld Academie, waar ze met tegenzin de vakrichting mode volgde. Ozon: “De Rietveld was helemaal niet zo vrij en bohemien als ik had gehoopt, maar bleek gewoon weer een school. Het was me meteen duidelijk dat ik alleen maar een studieschuld aan het opbouwen was. Toen ik Hugo ontmoette realiseerde ik me dat hij gewoon kunstenaar was, het gewoon deed. Dat was precies wat ik ook wilde.”  Ozon had toen al kennis gemaakt met punk. Toen ze in het najaar van 1976 in een tot op de draad versleten, met veiligheidsspelden bijeengehouden legerbroek op school verscheen werd ze door medeleerlingen uitgescholden voor punk. “Toen ik dat thuis vertelde ging mijn vader bij Atheneum Nieuwscentrum informeren wat punk was. Ze lieten hem punkblaadjes zien met hakenkruizen en hij kwam tot de conclusie dat punk niks voor zijn dochter was.” Het weerhield Ozon er niet van zich met punk te identificeren. “Toen ik Hugo in het echt ontmoette, had hij zijn schoenzool vastgemaakt met een veiligheidsspeld en zijn broekspijpen met nietjes versmald. ‘Ik ben punk’, zei hij. Hij was de eerste punk die ik tegenkwam en ontkrachtte alles wat mijn vader had gezegd. Volgens hem was punk een nieuwe stroming waar we van konden maken wat we wilden.”    De Koecrandt   Hugo Kaagman vroeg Diana Ozon mee te werken aan zijn fanzine en de twee kregen een relatie. Kaagman woonde toen al enkele maanden aan de Sarphatistraat 62/64. Na zijn terugkeer uit Marokko, had hij het pand samen met zijn jeugdvriend Kristian Kanstadt gekraakt, op paaszondag 1977. Alles eromheen was opgebroken: het pand lag pal aan het terrein waar het nieuwe metrostation Weesperplein werd gebouwd. Pas toen toen de bouwwerkzaamheden eindigden, bleek wat een prachtige locatie Kaagman en Kanstadt hadden bemachtigd. Het zou jarenlang een woon- en werkplaats voor punks, kunstenaars en muzikanten blijven.  In de zomer van 1977 was Kanstadt naar Londen geweest, vanwaar hij een Sniffin’ Glue meenam. Kaagman herkende de knip-en-plak stijl als dadaïstisch en was onmiddellijk enthousiast. “Door mijn studie was ik me ervan bewust het met de overbevolking zo niet langer door kon gaan. De angst voor kernenergie liep op, de spanning tussen de Verenigde Staten en Rusland nam toe en de werkloosheid was groot.” In Marokko had Kaagman geelzucht opgelopen (het leverde hem de bijnaam Amarillo – de gele – op), waardoor hij een tijd niet kon werken en werkloos werd. “Daarna had ik tijdenlang lullige baantjes. Het gevoel leefde dat we overbodig waren, een human surplus.” Punk kwam op het juiste moment, Kaagman kon zich vinden in de punkslogans. Het kraakpand had al een huisbulletin, met praktische mededelingen voor de bewoners. Kaagman en Kanstadt besloten er een fanzine van te maken, geënt op de Sniffin’ Glue.  Op 1 augustus kwam de Cees Coecrandt uit. Kaagman: “We noemden het zo, omdat een van de bewoners altijd aan het zeuren was over de koekranden in de wc. In een interview met de maker van de Poezenkrant, had ik gelezen dat hij zijn blaadjes in consignatie gaf bij  Atheneum Nieuwscentrum, dus dat deden wij ook zo. Dankzij Bab Boujeloud wist ik al hoe je een boekje moest maken.” Ook Ludwig Wisch (alias Lulu Zulu), die een oefenruimte in het pand had voor zijn band Lulu Zulu & The White Guys, voegde zich bij de Koecrandt redactie. In de Koecrandt kwamen invloeden uit Dada, Fluxus, reggae en punk samen tot uniek geheel, vol kritische collages, melige strips (De avonturen van God), gedichten en artikelen, geschreven onder diverse pseudoniemen.  Diana Ozon zei de Academie vaarwel en werkte vanaf september mee aan de Koecrandt. Ze dichtte al sinds haar kinderjaren en had het schrijven gemist sinds ze van de middelbare school was, waar ze met veel plezier voor de schoolkrant had gewerkt. Niet voor de officiële, maar een blaadje dat sex, drugs & rock ‘n’ roll binnen de schoolmuren bracht en alleen gedistribueerd mocht worden onder de bovenbouw. In de Koecrandt publiceerde ze onder het pseudoniem Douglas Groezel kotswalgbaal gedichten (ik grien, ik kots, ik walg, ik baal, krijg de klere allemaal) en proza als Diana Dreun Doing. In de Coe Qrand van 30 augustus werd nog uitgelegd dat de krant geen aandacht schonk aan de PUNK-rock, omdat de nadruk ‘op zelfwerkzaamheid, de bestrijding van apathie en de ontwikkeling van nieuwe ideeën’ lag, maar nadat de kernredactie compleet was, werden concertverslagen en verslagen over punk al snel een vast onderdeel van het fanzine.   De Koecrandt was niet het enige waar de bewoners van de Sarphatistraat zich mee bezig hielden. In oktober 1977 opende het metrostation voor de deur. Prinses Beatrix was aanwezig, en het leek de bewoners een goede gelegenheid flink stennis te schoppen. In de Cees Coecrandt werd al aangekondigd: vlak voor onze ogen wordt het gemeenschapsgeld weggegooid aan een veel te dure metro, we mogen hier niet werkloos op toezien. Zodra de vier huizen in de Sarphatistraat een goedlopende werk en woongemeenschap zijn geworden moeten we onze akties ook richten op de plastic people.  Kaagman: “De hele buurt was tegen die metro, heel veel panden waren verzakt en veel werden er afgebroken. Wij waren tegen cityvorming, waarmee mensen de stad uit werden verjaagd omwille van bedrijven.” De buurt hield een symbolische optocht met een grafkist in protest tegen ‘het geldriool’. De Koecrandt redactie had van tevoren nagemaakte officiële uitnodigingen verspreid, en op de dag zelf plakten ze overal zwart-wit gekopieerd briefgeld, speelden het Wilhelmus van Sjef van Oekel, punkmuziek en bomgeluiden vanaf een geluidsinstallatie op het balkon en gooiden met rotte eieren. Kaagman: “De buurt had de optocht, wij allemaal gekke dingetjes en toen iemand van de Rode Jeugd opeens onverwacht verf naar de prinses gooide is het toch nog een relletje geworden.”  De insteek van de actie was ludiek en herinnerde aan Provo. In december werd die associatie onderstreept, toen de Koecrandt redactie de Art-O-Maat op het Spui plaatste, waar anti-rook magiër Robert Jasper Grootveld iets meer dan tien jaar eerder zijn happenings had gehouden. De Art-O-Maat was een sigarettenautomaat met gekopieerde boekjes, strips of tekeningen in de sigarettendoosjes. Ook het eerste gedichtenbundeltje van Diana Ozon, een bloemlezing van punkgedichten en gedichten uit haar middelbare schooltijd, was op deze manier te verkrijgen. Zoals het Parool meldde: Uit het apparaat, wat is versierd met spijkers, scheermesjes, veiligheidsspelden en andere vrolijke punksymbolen, kunnen vijf verschillende soorten kunst worden getrokken. De reacties zijn, volgens de initiatiefnemers Amarillo, Douglas Groezel, Lulu Zulu, Diana Dreun (Doing) en vele anderen, uiterst positief.      DDT 666  De Art-O-Maat was inderdaad een succes. In februari 1978 werd de automaat neergezet in het Stedelijk Museum en later die maand werden twee nieuwe Art-O-Maten in gebruik genomen in de Brakke Grond en Café Scheltema. In de kantine van het Stedelijk kwamen Kaagman en Ozon Ivar Vičs tegen, die zich later Dr. Rat zou gaan noemen en furore zou maken als graffitischrijver. Ozon kende hem nog van haar kinderjaren, toen ze buurtgenoten waren. Na deze toevallige ontmoeting kwam Vičs regelmatig over de vloer in het pand aan de Sarphatistraat.  In april 1978 besloot Vičs een punkclub te openen in het pand. Hij was net terug van een schoolexcursie naar Londen, waar hij de Marquee had bezocht, een punkzaal volgeschreven met graffiti van bandnamen. Bij thuiskomst begon hij onmiddellijk de gemeenschappelijke ruimte van het pand met spuitbussen te decoreren. De bewoners stemden in met zijn plan en gingen aan de slag. Ozon maakte gordijnen van landbouwplastic, verdubbelde het vloeroppervlak door een gat in de muur te slaan tussen de gemeenschappelijke ruimte en de oefenruimte van Wisch, en kocht eten en drinken in. Een week later opende punkclub DDT666, Dirty Dutch Trix 666. De naam was een verzinsel van Dr. Rat, die Ozon – die achter de bar stond – prompt omdoopte tot Gretchen Gestapo en portier Eddy Cevat bestempelde tot Rinus Razzia.  De punkclub opende op het moment dat de eerste punkgolf wegebde en de toon in de media negatiever werd. Kaagman: “In paradiso werden punks geweigerd als er al een paar binnen waren en in de media noemden ze punk een ‘doodgeboren kindje’.” Punk was echter nog volop in ontwikkeling, en met de punkclub maakten Ozon en Kaagman een duidelijk statement. DTT 666 werd een verzamelplaats voor punks uit Amsterdam en daarbuiten. Vičs ontwierp een lidmaatschapskaart, want het moest een besloten club blijven. Bij problemen met de politie, werden de leden geacht te verklaren dat het een feestje was.  Veel punkbands van het eerste uur traden er op. Lulu Zulu & The White Guys, de band van Ludwig Wisch, oefende er elke zaterdag en werd huisband van de club. Ook Mecano was er regelmatig te horen. De band Infexion, eerst DDT Infexion, ontstond onder vaste bezoekers van de club. Op 8 juli bezochten journalist Peter van Bruggen en fotograaf Kees Tabak van Muziekkrant Oor de club tijdens de presentatie van Helmettes single ‘½ 2/ I Don’t Care What The People Say’. Naast Helmettes en Lulu Zulu & The White Guys, traden onder meer The Filth en God’s Heart Attack op. Tabak fotografeerde die avond niet het publiek, maar fotomodellen, gestoken in punkkleding. Dat viel uiteraard niet goed onder de punks, hoewel de vermelding in Oor wel tot drukte in de club leidde.   DDT 666 was niet alleen een plek voor muziek. Ozon en Kanstadt droegen er gedichten voor en er werden installaties gebouwd, vooruitlopend op latere activiteiten in het pand. Toen ze een urinoir bij het grofvuil vonden, zetten ze het neer in de punkclub, voorzien van de tekst ‘Original Duchamp’. Ozon: “De meeste punks konden het niet waarderen, ze gooiden hun rommel er gewoon in. Het was geen prullenbak, maar een siervoorwerp! We hadden ook een keer een prachtig fin de siècle tafeltje gevonden. Daar legden we dan een plastic plakje nepkots uit de feestwinkel op – punks speldden dat ook wel aan hun kleren.” Voor Ozon en Kaagman waren de referenties logisch, maar de kunstzinnige opvattingen van Ozon en Kaagman werden door het gros van de punks niet gedeeld.  De groeiende punkscene trok steeds meer schoolverlaters en kleine criminelen aan. In de punkclub vonden regelmatig incidenten plaats met de politie, ruzies onder bewoners en bezoekers en druggebruik. Ook Wisch en Dr. Rat bleken aan de harddrugs te zitten. Het ging tegen de ideeën van Kaagman en Ozon in. Kaagman: “In de begintijd stond er zelfs nog ‘Punks are no junks’ op de muur in graffiti. Een punk is een rebel, die hoort niet te vluchten in genotsmiddelen. Met name Wisch ging zich steeds agressiever gedragen.” In de herfst van 1978 kwam het tot een grote ruzie. Er verdween geld uit de kas, er was onenigheid over de bierprijs en Vičs verhandelde drugs vanuit het kantoortje. Kaagman en Ozon stapten uit het bestuur van de punkclub en besloten de Amsterdamse scene voorlopig te laten voor wat het was, om twee maanden door de woestijn van Noord-Afrika te reizen.    De punkfilosofie van Amarillo  Na de sluiting van Punkclub DDT666 ging de Koecrandt steeds nadrukkelijker punk en rasta verbinden in een poging punk te definiëren. In 1979 woonde er een Jamaicaanse rasta in het pand aan de Sarphatistraat, die meeslepend kon vertellen over de Rastafari leer en Kaagman’s interesse in rasta vergrootte. “We wilden weten en onder woorden brengen wat punk was en was welke kant het moest opgaan. Wij zagen dat het echt een kunstvorm was, met een eigen ideologie. Die ideologie bracht ik in verband met rasta.”  Kaagman was rasta in 1976 voor het eerst tegengekomen, toen hij naar Trinidad reisde. Met zijn achtergrond in sociale geografie was hij meteen geïnteresseerd in de filosofie van rastafari, die helemaal op het einde der tijden was ingesteld en prima te rijmen was met het no future credo van punk. Kaagman: “Als er een ding was, waar elke punk, van te laat geboren Provo tot ongeschoolde bierpunk, het over eens was, was het: de wereld zou naar de verdoemenis gaan. Volgens rasta was Europa de poel des verderfs. Wij dachten ook dat het hier helemaal kapot zou gaan. We waren tegen het citysysteem, tegen administratie, de postcode, de pinkaart - we waren geen nummers. We voelden ons toen al bespioneerd door big brother. Het was voor ons duidelijk dat het einde der tijden niet lang op zich zou laten wachten.” Volgens de rasta’s zou dat einde der tijden vanzelf komen: Babylon zal vallen. “We hoefden er niet tegen te vechten, want de wereld zou vanzelf wel in elkaar storten. Dat was mooi, want de RAF had al aangetoond dat de situatie met vechten alleen verslechterde. De angst voor de bom was heel concreet in die tijd, we dachten echt dat ze het zouden doen.” Voor Kaagman stond vast dat hij naar Afrika zou gaan, als de bom zou vallen. “Hier was het water vervuild en dreigden de Verenigde Staten en Rusland elkaar te vernietigen. Van Afrika en het Caribische gebied kon je nog wat leren. Toen ik met Diana naar Afrika ging, zagen we dat je eigenlijk maar heel weinig nodig hebt om te overleven. De rode draad van de Koecrandt was een verbond tussen derde wereld & westerse subcultuur. Vanuit punk en rasta proberen we een nieuwe cultuur op te bouwen. De inspiratie was punk, reggae en het zelfdoen.”  Kaagman nam punk heel serieus als anticultuur en verdiepte zich in de banden met het anarchisme. “Ik wou weten wat het anarchisme precies inhield en ging toen ook samen met Diana naar een lezing van Anton Constandse in het Stedelijk. Constandse probeerde uit te leggen hoe je in de praktijk met anarchisme om kan gaan. Je had toen heel veel commune-achtige kraakpanden, maar dat loopt natuurlijk nooit zo ideaal.” Diana trok ook op met voormalige Provo’s zoals Kees Hoekert en Rob Stolk. Het waren mensen die net iets ouder waren, ervaring hadden en vaak al dan niet gevraagd advies gaven. “Begin jaren tachtig sloten we ons aan bij Ruigoord, dat waren oude hippies, maar net zo goed freaks. Het verschil was dat wij ons niet op het platteland terugtrokken, maar de stad wilden terugkraken. Het systeem zou op een gegeven moment toch vanzelf instorten.” De edities van de Koecrandt gingen steeds meer variëren. Sommige waren geheel aan rasta gewijd, andere legden een nadruk op punkmuziek. Ozon: “Hugo ging zich steeds meer interesseren voor rastafari, waardoor een tegenstelling ontstond tussen aan de ene kant bands als Jezus & The Gospelfuckers en anderzijds vrome rasta’s. Zelf wou ik ook zoveel mogelijk actueel scenenieuws in de Koecrandt hebben.” Kanstadt was eerder al zijn eigen Koecrant omdat hij zich vooral concentreerde op poëzie. In 1979 verscheen ook de eerste Koecrandt van Johan van Leeuwen, die het fanzine later zou voortzetten als de Nieuwe Koekrant. Daarin werd nadruk gelegd op de muziek, met artikelen over The Stranglers, Crass en de Rondos, en recensies van diverse Nederlandse punkbands.    Gallerie Anus  Na hun reis door Afrika, openden Kaagman en Ozon Gallerie Anus, een ruimte die dienst deed als winkel, informatiecentrum en werkplaats. Het was ook een punkmuseum. In Gallerie Anus – de naam werd ingegeven door de halfvoltooide belettering van Galerie Anusjka – was alles kunst. Bij de naambordjes stonden allerlei fictieve namen, naast de aanwijzing ‘Gallerie Anus 100x bellen’. In de ruimte stond een ‘maatschappelijke ladder’ neergezet, een houten trap waarvan de sporten waren voorzien van verschillende maatschappelijke stadia, van studie tot werkloosheid en dood. De pers schreef: De winkel hangt vol bizarre voorwerpen, samengevat onder de noemer screen-art of ook wel punk-art. Zelf hebben Amarillo en Gretchen ook een aardige benaming voor de te koop aangeboden voorwerpen: art-swindle, wat zoveel betekent als kunstzwendel. De initiatiefnemers wilden zich nadrukkelijker onderscheidden van de ‘modepunks’ en de bierpunks, die voor problemen in DDT 666 hadden gezorgd, door zelfwerkzaamheid te stimuleren en punk met reggae te verbinden. In de Gallerie kwamen punks, rasta’s en graffitischrijvers bijeen. De doelstelling was: black & white, unite & fight.  Zoals de punkclub een reactie was geweest op de doodsverklaring van de media, viel Gallerie Anus samen met een tweede golf in de punkbeweging, met talloze nieuwe blaadjes en bands. Do-it-yourself was belangrijker dan ooit. In de Gallerie kon je fanzines, badges en kleding kopen, maar je kon er ook terecht om je haar te laten knippen, om de stencil- of naaimachine te gebruiken, of voor hulp bij het invullen van formulieren.  Het stimuleren van de zelfwerkzaamheid uitte zich vooral in de aanmoediging van de vroege graffitiscene. De galerie werd een hangplek waar scholieren van het Barleaus Gymnasium, die actief waren als graffitischrijvers. In Afrika had Kaagman een disco gedecoreerd met sjablonen, in Gallerie Anus ging hij verder met de techniek. Voor 2 gulden vijftig kon je een sjabloon op je T-shirt laten spuiten. Met hun activiteiten met graffiti haalde ze de kranten: Amarillo: we bespuiten hier alles. Lakens, shirtjes, auto’s, schemerlampjes, onderbroeken, bh’s, kortom alles. Daarnaast laten we zien hoe het moet. Iedereen kan het namelijk. Dat willen we ook aanmoedigen.”  Gallerie Anus was ook de uitvalbasis voor happenings. Met Sinterklaas hadden een aantal vaste bezoekers van de Gallerie samen met Ozon vuilnis, lege dozen, blikjes, flessen in cadeaupapier verpakt, om ze tijdens de spits op pakjesavond uit te delen in de tram en op straat. Cadeaus werden ook her en der in de metro gelegd, zodat mensen die dachten dat iemand een écht cadeau had verloren ze stiekem meenamen. Het stelde de hebberigheid van mensen aan de kaak.  Kaagman en Ozon begonnen steeds meer de rol van ‘hidden persuader’ te spelen, door de bezoekers te stimuleren zelf aan de slag te gaan. Er hing een Nederlandse kaart, waarop punks met een punaise konden aangeven waar ze vandaan kwamen en noteerden buitenlandse bezoekers uit heel Europa. Ook hielden ze een wetenschappelijk onverantwoorde enquête in december 1979, om te peilen waarom mensen naar Gallerie Anus kwamen (de meeste ‘om te kijken of er wat nieuws gebeurt’, gevolgd door ‘om wat te kopen’) waarom ze dachten dat de Gallerie er was (‘om eigen initiatief te bevorderen’). Over de vraag wat de Gallerie voor instelling was waren de meningen begrijpelijkerwijs verdeeld: genoemd werden kunstgalerie, tijdschriftenhandel, jongerensoos, werkplaats annex winkel. Bezoekers bleken de ruimte om verschillende redenen leuk te vinden: van de ongedwongen sfeer, de spuitmallen, ‘je eigen zijn zonder dat iemand spasties kijkt’, tot blowen, ontmoetingen met andere punx, de vriendelijke plantjes in de hoek.   Toch besloten Kaagman en Ozon eind 1979 om Gallerie Anus te sluiten. Enkele weken later verklaarde Ozon in het televisieprogramma Neon: We hebben Gallerie Anus gesloten per 1 januari 1980 omdat het bijna zinloos is nog iets opbouwends te doen in een samenleving die zo uit is op totale destructie. Maar weinig mensen zagen hoeveel energie we erin stopten, terwijl er maar weinig uitkwam. (...) Volgens mij betekent punk meer dan agressie en verveling. Ook het jezelf dragelijk maken in deze klotewereld. Deze maatschappij kun je niet meer verbeteren, dat hebben de hippies en de Provos al geprobeerd. Laat je niet langer leven. We hebben niks te verliezen, geen huis, geen baan, geen toekomst. Het wachten is op de neutronenbom die aan al deze misstanden een einde moet maken.  Gallerie Anus heropende in 1980 als Galerie Ozon. Dit maal was de functie van hang- en ontmoetingsplaats minder belangrijk, maar de functie van de winkel des te meer. Er werden voornamelijk T-shirts verkocht en andere kledingstukken, die met een sjabloon en kwast van afbeeldingen werden voorzien. Gaandeweg namen de twee meer afstand van de punkscene. In 1981 begonnen ze galerie annex kunstenaarscollectief Galerie Zebra. Ondertussen maakte Ozon naam als dichteres. Ze publiceerde haar officiële debuut ‘Laag bij de Gronds’ in 1982. Hugo Kaagman kreeg zijn eerste opdrachten voor muurschilderingen begin jaren tachtig en  ontwikkelde zich tot stencilkunstenaar. Kaagman en Ozon bleven de Koecrandt maken tot 1980, toen Johan van Leeuwen vanaf nummer 52 verder ging met ‘de Nieuwe Koekrant’. In 1982 brachten Kaagman en Ozon ‘Papua Punk’ uit, een verzameling Koecrandt edities, waarvan Ozon het voorwoord schreef. Punk was geen rage of alleen maar een modebeeld, maar een nieuwe cultuur, die vooruitliep op de heftige jaren tachtig. (...) De eerste generatie punk bestond uit handjevol agressieve positievelingen die hun statements terugzagen in de underground. Ondertussen is de ideologie veranderd. (...) Papua Punk moest een stuk geschiedenis vastleggen, van deze ‘actiekrant vol opgewekte doemdenkerij’.