HUGO KAAGMAN  STENCIL KING
1987 Tropenmuseum
Teken aan de wand.   Vrij Nederland 23 april 1988 Hugo Kaagman Als decoratie en decoratief zo lang als minderwaardig worden beschouwd, kan de kunst uit culturen met afwijkende opvattingen een geweldige eye-opener zijn. Voor Hugo Kaagman zijn mozaieken uit Afrika richtingbepalend geweest. In 1977 begon Kaagman graffiti te schilderen. Was dat aanvankelijk een illegale bezigheid, in 1985 kreeg hij opdracht van de gemeente Amsterdam om de Transvaaltunnel te decoreren. Hij werkt veel met sjablonen, ook al omdat herhaling van motieven en symmetrie een belangrijke rol spelen in zijn werk. Behalve Afrikaanse motieven combineert hij ook decoratieve patronen (en de kleur) van Delfts blauw met realistische taferelen zoals een touringcar op weg in zijn met airbrush en acryl geschilderde doeken. Hugo Kaagman was een van de eerste punkers in Amsterdam en nog altijd woont hij in een van de oudste kraakpanden. De gevel heeft hij in zebramotief geschilderd, net als de bakfiets ervoor. (...) Meestal werkt hij illegaal maar niet uit principe. Liever werkt hij met toestemming, dat is veel rustiger. Hij is niet uit op de kick van het stiekeme. Tijdens het werk liggen alle sjablonen om hem heen. Hij is totaal in trance, sluit zich af voor commentaar van voorbijgangers. Altijd draagt hij een gasmasker, handschoenen en een walkman. (...) Hij trok een tijd door Afrika. Wat hij dáár zag! Men heeft er respect voor een kunstenaar! Het is er echt een vak! Waarom kan dat hier niet? Waarom veronachtzamen wij de cultuur zo? In Afrika leerde hij dat kunst al heel mooi is als het alleen maar decoreert. Politieke boodschappen zijn niet echt nodig. Schilderingen moet je gebruiken om de stad op te vrolijken. Sandberg had gelijk toen hij zei: ideaal is het als de kunst de straat opgaat en de musea overbodig worden. Vorig jaar kreeg hij een opdracht voor de ingang van het Tropenmuseum. Tekst: Corine Koole