HUGO KAAGMAN  STENCIL KING
2011 Ooltgensplaat  - Havenkanalen De belevingspunten worden gerealiseerd in opdracht van Kunstgebouw, in samenwerking met Stichting Podium, Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Goeree-Overflakkee (ISGO) en de gemeenten Oostflakkee en Goedereede. Ze worden gefinancierd door de provincie Zuid-Holland in het kader van het Themajaar 2010 Leve de vaarwegen en waterlinies!
De geschiedenis van Ooltgensplaat Ooltgensplaat, op de oosthoek van het voormalige eiland Goeree Overflakkee, bestaat al meer dan 500 jaar. Het is een woongemeenschap met 2128 inwoners en heeft een rijke historie. Hoe kwamen de mensen terecht in deze woestenij van water en slik, overgeleverd aan de elementen? Er is een legende van een stranding van een bootje, die is vastgelegd in het dorpswapen. Een fluitspelende visser, genaamd Ool of Oele zocht rust in deze woestenij van schorren en slikken. Hij vond in 1383 een stuk grasland op een zandbank en pachtte deze stek voor “2 schellingen en 6 Dordrechtse groten”. Ool, een veel voor komende naam in de delta, hij was waarschijnlijk een kleine man, want Ooltgen is een verkleinwoord. Hij ontdekte de Plaet in een warrige 14e eeuw. Slechts enkele tientallen kilometers verder maakten steden als Middelburg, Veere, Gent en Brugge naam als handelscentra voor im- en export naar Scandinavië en de Levant. Maar er kwam geldgebrek als gevolg van oorlogsgeweld, epidemieën en teruglopende handel. Een machteloze en uitgeputte bevolking betaalde de tol. Slechts enkelen namen have en goed en vluchtten. Zo ook Ooltgen. De man huurde een stuk gras op een zandbank in een verlaten gebied, viste en werkte voor zichzelf en mogelijk voor vrouw en kroost.Het leven in de duistere middeleeuwen werd beheerst door een mengeling van geloof en bijgeloof en tradities van het oude Germaanse geloof. De bevolking bestond uit een kleine top van machthebbers en een grote ongeletterde massa, die alles over zich heen liet komen en desondanks een eigen weg ging.Langzaam maakte het donker van de Middeleeuwen plaats voor het speelse licht van de Renaissance. De riddertijd liep ten einde. Mensen begonnen zich te verzetten. Ze predikten een reformatie van het kerkelijke en daaraan verbonden gezagsformaties. De meesten stierven een martelaarsdood. Er was een schisma in de Heilige Moederkerk, er was een Paus in Rome en een in Avignon. Het was tijd voor een Reformatie. Het Westen van Europa werd geteisterd door voortdurende geschillen tussen Engeland en Frankrijk. Zogenaamde Vrijbenden zwierven kriskras door heel Europa. Huurlegers stroopten de landerijen af als roversbenden. Temidden van de verwarring knoopten handelslieden nieuwe betrekkingen aan, er ontstond een “Hanzeverbond” tussen steden in Nederland en Duitsland. Door vererving kwamen Holland en Zeeland onder het gezag van het Bourgondische huis, onder Philips de Goede in 1482. Zijn zoon Karel de Stoute probeerde het Rijk uit te bouwen, maar stierf voor de poorten van Nancy. Zijn dochter Maria trouwde met een Habsburger en gaf het schorrengebied in de delta aan haar bastaardnicht Anna van Bourgondië Bedijking Op 14 maart 1483 werd een uitgiftebrief tot bedijking getekend, waarmee meteen de vrijheid van de bevolking werd beperkt . De bevolking was immers met de grond verkocht. Monniken gaven leiding aan de bedijkingen van het oude land. Alleen met hel en hemel waren de mensen te bewegen aan het werk te gaan en hun angsten te overwinnen. De angst voor demonen en geesten, die wraak zouden nemen bij het schenden van deze vrije ongebonden natuur, was diepgeworteld. Over het open water werden honderden mannen aangevoerd. Het was een oervorm van kolonisatie. Wankele bouwsels werden als “slikhutten” in elkaar geflanst. De techniek van de dijkaanleg was simpel. Men groef op regelmatige afstand van elkaar twee evenwijdige sloten en met de uitgegraven grond hoogde men de tussenliggende strook op. Die werd verstevigd met takken en riet tot een min of meer stevige ondergrond. Van de dichtstbijzijnde zandbanken werd in kleine bootjes zand aangevoerd en het geheel werd afgedekt met graszoden, die met grotere vaartuigen aangevoerd werden van plaatsen aan de boven-Rijn. De “weteringen” stonden in verbinding met de zee en werden om telkens opnieuw invloeien te voorkomen, afgesloten met een sluis. Haventjes werden aangelegd door enkele met graszoden beladen schepen achter elkaar te laten zinken en die zo op te hogen dat er een luwte in het water ontstond. De polder was een feit, maar troosteloos. Bij regen en slecht weer niet te begaan en bij droogte en vorst niet te bewerken. Dwars door de polder werd een lange weg aangelegd met zijwegen naar de dijken aan beide zijden. Daarna werden sloten gedolven en de kavels verdeeld. Na twee of drie jaar was de grond rijp voor landbouw. Slikhuisjes Het “Oude land van Ooltgensplaat” was nog steeds een eilandje van enkele vierkante kilometers aarde in een uitgestrekt waddengebied. In 1481 werd besloten dat er een kerk gebouwd moest worden, gewijd aan “den goeden heere en vriend Gods Sinte Adolph, die daer patroon wesen sal.” De haven van Ooltgensplaat was oorspronkelijk een afwateringsgeul, die verder uitgegraven werd. Ernaast was een zwaar ingeklonken en vastgetrapte stuk grond, een uitstekende plaats om bestendige stenen huizen te bouwen voor de gegoeden. Het merendeel van de bevolking woonde nog in “slikhuisjes”.  De eerste kerk was waarschijnlijk een eenvoudig houten gebouw. Eromheen kwam een marktplaats, want winkels bestonden niet. In 1527 begon de bouw van een nieuwe kerk gewijd aan St. Odulphus. Van het Rooms-katholicisme werd overgegaan op het Protestantisme, maar dat was meer een zaak  voor middenstanders en kooplieden, want het merendeel van de gewone mensen was analfabeet, voor hen was er geen duidelijke overtuiging of geloofsbeleving. De kerk werd overgenomen door de machtshebbers en van elke franje ontdaan. Alles werd onder het mom van “vervloekte afgoderij” teruggebracht tot een sobere administratieve aangelegenheid. Het  volk werd met dwang van “hel en duivel” aan het verstand gebracht dat heel hard werken bittere noodzaak was voor nu en voor het hiernamaals. Overstromingen Er kwamen moeilijke jaren.  Grote overstromingen in 1530, 1532 en 1570 teisterden de delta en gedeelten van de kuststreek werden getroffen door de pest. In 1571 werd Ooltgensplaat overvallen door de watergeuzen. De kerkschatten, inclusief de kerkklok, werden meegenomen om alles later in Engeland te worden verkocht. In 1586 werd het dorp getroffen door een felle brand, waarbij vrijwel alle geschreven geschiedenis verloren is gegaan. Maar na de brand ging alles beter, er kwam een wederopbouwperiode. Maar de honderden naamlozen, die de polder tot bloei brachten, zullen we noot kennen. Ze woonden in hun slikhuisjes. Voor dag en dauw sjouwden ze, generatie na generatie, de polder in met hun vale ´stikzak” en een kruik water over hun schouder gevuld met slecht bier of water, om ’s avonds weer traag en moe terug te sloffen. In 1612 werd de heerlijkheid Sint Adolfsland verkocht aan Francois van Aersen van Sommelsdijck voor omgerekend 360.000 gulden. Hij was bevriend met Prins Maurits en in die tijd een der rijkste en een van de invloedrijkste mannen van West-Europa. Het was een zakelijke transactie, hijzelf is nooit in het gebied geweest. Francois van Aersen kocht het voornamelijk om opgenomen te worden in de Hollandse ridderschap. Het Raadshuis De zaken gingen goed in de polder. Steeds meer en mooiere huizen verrezen. Er was behoefte aan een nieuw polderhuis voor vergaderingen. Het latere Raadshuis. De Vlaamse bouwmeester Melchior van Harbach werd gevraagd het te bouwen. Ver boven de stand van het dorp met 700 inwoners, maar het was een vriend van Prins Maurits, en die was een vriend van van Aersen. Op 12 juni 1616 werd de eerste steen gelegd. In het dorp woonden vrijwel uitsluitend ambtenaren en kleine neringdoenden en wellicht een enkele boer. De rest, de eenvoudige werkers woonden buitendijks, voor zover het geen huispersoneel betrof. Aan de landzijde naar de polder lag een vestingwal versterkt met palissaden Bij de molen was een poort, compleet met poortklok. Aan het eind van de haven was een fortificatie, de toenmalige schans. Kennelijk was het de bedoeling geweest om van het uitstekend gelegen eilandje een fortresse te maken, maar toen Willem van Oranje de Willemstad liet bouwen na 1583 verloor Ooltgensplaat een goed deel van zijn bestemming, temeer door de moeilijke bereikbaarheid. Het was nu de Gouden Eeuw. Er werd in de Lage Landen grof geld verdiend met de VOC, de nijverheid, visserij en slavenhandel. Op alle wereldzeeën was de Nederlandse vlag een vlag om rekening mee te houden. In St. Adolfsland werd er niet veel van gemerkt, daar bleef men zwoegen. In 1682 op 26 januari was er weer een watersnoodramp, er vielen er 22 slachtoffers. De stenen huizen bleven wel staan, maar de slopjes waren weggespoeld, en de overlevenden zaten verstoken van hulp op de afbrokkelende dijkrestanten temidden van een onafzienbare watermassa. Het leed in de winterse weken moet onvoorstelbaar zijn geweest. Het eerste wat de gegoede burgers erna deden was vrijstelling van huur vragen voor de zwaar beschadigde pastorie en er werd toestemming gevraagd te mogen collecteren voor herstel van de kerk. Dat terwijl honderden mannen, vrouwen en kinderen ondervoed waren en van alles beroofd. Van alle kanten kwamen dijkwerkers en polderjongens om de dijken te herstellen en het land weer te egaliseren. Opnieuw moesten sloten en wateringen gegraven worden en de grond ontzilt. De kerk werd opnieuw gebouwd als een Bourgondisch sieraad.Daarna ging het leven in Ooltgensplaat gewoon door. Het merendeel van de bevolking wist nauwelijks wat er buitendijks aan de hand was. Trammelant In 1672 werd Willem III stadhouder in de Lage Landen. In 1689 riep het Engelse volk de hulp van hem in om koning van Engeland te worden.  De officiële vorst van Engeland was naar Frankrijk gevlucht en dat land verklaarde ook ons land de oorlog, het begin van de negenjarige oorlog. Daar kwam ook Spanje bij dat worstelde met een successieoorlog en ons de oorlog verklaarde. Dat stelde eisen aan de bewaking en bescherming van de open dorpen in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta, waaraan in de praktijk niet kon worden voldaan. Men had veel last van rooftochten en plunderingen. Op 3 maart 1715 werd het dorp weer zwaar geteisterd door storm en overstromingen. Men kon onmogelijk alle dijken weer in orde maken want de bevolking was uitgeput. Men deed zijn best, maar we hebben geen idee van de wanhoop toen 9 januari 1717 opnieuw een zware overstromingsramp plaatsvond. Totaal berooide mensen zwierven over de vlakte en visten er tarwe op, die men droogde en daarna de molenaar dwong te malen. Men moest in het poldergebied alles zelf regelen. In Den Haag waren ze alleen geïnteresseerd om hun geld te krijgen. Van ellende en narigheid moest men niets hebben. Het duurde jaren en jaren voor het dorp weer een beetje opkrabbelde. Onder de gewone bevolking kwam weer een gevoel van berusting en gelatenheid. De Voorstraat werd bestraat met kinderkopjes met ernaast keien. De gewone arbeiders mochten daar niet op lopen, zij behoorden niet te lopen waar de machthebbers liepen. Dat duurde tot vorige eeuw. Als je niets had kwam je op de keien terecht. In 1747 vielen de Fransen weer het land binnen. Men riep weer om een Oranje, het werd Prins Willem IV, dat ging niet goed. Daarna werd Willem V de Stadhouder en de republiek raakte verder in verval. In Amerika waren de koloniën tegen het moedersland opgestaan en de Nederlandse kooplieden profiteerden van alle trammelant met het smokkelen van oorlogstuig. Dat was het sein voor de vierde Engelse oorlog van 1780 – 1784, die voor de Nederlanden eindigde in een nederlaag. Er kwam een algehele malaise, die nauwelijks werd bestreden door de regentenkliek, men liet het min of meer op zijn beloop. Bij alle armoede en narigheid die er was, komt de vraag naar voren, waarom bleef men in de polder? Het antwoord is, dat er geen enkele mogelijkheid was voor de gewone arbeider, om zich ergens anders te handhaven zonder te bedelen. Bovendien moesten alle afstanden te voet worden afgelegd. De dijken boden in normale getijden voldoende bescherming, maar zorgden tevens voor een totale afgrendeling van een onmondige gemeenschap. De Bataafse Republiek kwam weer onder Frans gezag. Maar rond Ooltgensplaat ging het leven gewoon door. Men zag de arbeiders in lange rijen kruipend over de akkers gaan. De man met de stok erachter. Men deed met de regelmaat van de klok wat er te doen was. De mensen betreurden hun vroeg gestorven kinderen en leden hun honger en hun kou. Onze voorouders waren  niet te benijden. Het werk eiste alles op, naast de zorg om te leven. Men leefde om te overleven Allen die op de dorpen met hun handen geld moesten verdienen werden bestempeld als “boer”. Onze taal is nog rijk aan de  betitelingen als boer, “melkboer, visboer,  kaasboer, groenteboer  of  sigarenboer”.  Destijds verstond men onder het “gemene volk” de eenvoudigen, de gewone mensen. Maar juist door de grote armoede en de gevolgen ervan is de betekenis van het woord “gemeen” gedaald tot “slecht, vals”. Aan het begin van de negentiende eeuw had het dorp in de verre polder ongeveer 1100 inwoners. Het waren zware tijden in die bezettingsjaren van 1795 tot 1813. Ook ging de teistering van het water gewoon door. Er kwamen regelmatig verzoeken om levering van manschappen voor de avonturen van de keizer Napoleon. Men voelde daar niet veel voor, zodat er talrijke onderduikers op de Plaat waren. Ook moest er op last van de Fransen gewerkt worden aan de verdediging van Ooltgensplaat. Op de buitenwal moest het Fort Duqnesne gebouwd worden. Napoleon in Ooltgensplaat, 4 Oktober 1811 Lodewijk Napoleon werd van zijn taak als koning van Holland ontheven. De lage landen werden bij Groot-Frankrijk ingelijfd door zijn broer Keizer Napoleon Bonaparte.  De bezetting drukte zwaar op de toch al uitgemergelde bevolking. Alle handel stond stil als gevolg van het continentale stelsel. Er kwam een dienstplicht van 5 jaar voor alle jongemannen van 20 jaar. De rijken konden de dienstplicht afkopen. Op last van de Franse bezetting moesten er versterkingen komen van de delta. Dat betekende voor Ooltgensplaat dat de buitenwal moest worden omgebouwd tot fort, dat de naam Dunqesque kreeg, compleet met onderkomens en munitiemagazijnen en voorraadkamers. Het werd gebouwd door tewerkgestelden. Het was een onderdeel van de afsluiting van alle zeevaart en als afsluiting van het Volkerak om eventuele aanvallen van de Engelsen het hoofd te bieden. Keizer Napoleon kwam zelf de werkzaamheden aan de verdediging inspecteren.  Dat gaf een hele opschudding in het dorp. Er moesten erebogen en veel slingers worden gemaakt. De oude poorten werden hersteld en er werden twee nieuwe gemaakt. De kerk en bruggen werden opgeknapt. Het moest een blijde inkomst en doortocht worden voor de Majesteit met klein gevolg. Men was zo nerveus dat men zelfs een maand te vroeg een oproep deed om de vlaggen uit te steken. Op 4 oktober 1811 was het dan zover. De ingezetenen van Ooltgensplaat “werden versogt om indien Zijne Majesteit den Keijzer deesen avond of nagt alhier komt passeren hunne huijsen behoorlijk te verligten zoo ten blijke van agting als ter verligting van Zijne Majesteit en zijn stoet zijnde de aankondige der Eliminatie werden bekent gemaekt door het luijden der klok….”, aldus Burgemeester van Gennip, Ooltgensplaat Den 4 October 1811. De vervoersvergunning van de stoet van Ooltgensplaat naar de buitensluis was gedateerd op 5 oktober. Een logische gevolgtrekking mag dus zijn, dat de hele groep in Ooltgensplaat overnacht heeft en het lag voor de hand dat een bijzonder gebouw als het Dorpshuijs voor de overnachting dienst heeft gedaan. Veel indruk heeft het bezoek op de toenmalige inwoners niet gemaakt, alles verliep nogal plichtmatig Na het bliksembezoek van de Keizer werden een aantal maatregelen verscherpt. In het najaar van 1810 werd de burgerlijke stand werd opgericht. Morrend liet de bevolking zich inschrijven en om te laten blijken, dat men dit inschrijven niet serieus nam, werden de gekste namen verzonnen. Men dacht dat het een tijdelijke maatregel zou zijn, daarom werden talloze mensen opgezadeld met een naam waar men later spijt van had, en die alleen maar tegen een hoge prijs veranderd kon worden. Na de mislukte veldtocht van Napoleon tegen Rusland in 1812 werd Napoleon verbannen naar Elba en ging men in Den Haag op zoek naar de Oranjes en kwam Prins Willem VI vanuit Engeland naar Nederland om de nieuwe vorst te worden. Er was een was een korte periode van chaos en terreur op Goeree Overflakkee. Het was een tijd vol geruchten. Men vertelde dat de dijken zouden worden doorgestoken en de sluizen opengezet. Er dreigde voor deze vergeten uithoek een enorme ramp. Veel inwoners van Ooltgensplaat vluchtten weg met medeneming van wat men dragen kon..Nog steeds was het Fort bezet met enkele honderden Franse soldaten. Met ongeveer 100 stukken geschut was het een bijna onneembare vesting. Enkele bewoners van Ooltgensplaat wisten met een list in het Fort te komen en overvielen de soldaten en zetten hun gevangen, waarna de Nederlandse vlag werd gehesen. Er kwam hulp voor de Fransen opdagen van de kant van Willemstad., een schip met Franse mariniers was onderweg. Er ontstond een hevige schotenwisseling en er werd fel gevochten. Het resultaat was dat er van de 99 mariniers maar 66 in het dorp aan kwamen. Na een angstige nacht werd er heen en weer gereisd tussen het dorp en het Fort en kwam men overeen dat de Fransen een vrije aftocht kregen. De 160 Fransen werden afgevoerd naar Willemstad. Ze hielden zich niet aan de afspraak want men nam tegelijkertijd de gemeentekas van 15000 gulden mee. Ooltgensplaat was het dorp op het eiland dat het meest geteisterd was, de armoede was onvoorstelbaar groot. Betere tijden In de polders van Sint Adolfsland keek men reikhalzend uit naar betere tijden. Het Huis van Oranje was weer hersteld, maar er veranderde niet veel. De arbeiders en arbeidsters waren nog steeds horigen. In officiële stukken werden zij “inboorlingen” genoemd. Zij maakten deel uit van de aarde, waarop ze geboren waren en waarin ze begraven werden. De geschiedenis ging door, alsof ze niet bestonden. Toen deed het bericht de ronde dat Napoleon ontsnapt was van Elba en in Frankrijk met gejuich werd binnengehaald. In korte tijd beschikte hij weer over een leger en wilde hij zijn gebied weer heroveren, in Waterloo vond hij zijn ondergang. De jaren na de bevrijding van het Franse juk veranderde er niet veel. De Nederlandse samenleving werd geleid door een oppermachtig Liberalisme, dat 98% van de bevolking onmondig hield. Toch behoorde Oost-Flakkee tot de vruchtbaarste gebieden van West-Europa. De graanopbrengst was het hoogst en de lonen waren het laagste. De mensen die er woonden en werkten konden hun eigen koren niet betalen. Om totale uitputting te vermijden werd goedkope rogge ingevoerd. In de ellende van de Franse tijd en het Nederlands-Belgische conflict waren alle dromen van een betere tijd vervlogen. De Tram In 1848 was Nederland de ellende van de Franse tijd en het conflict met Belgie nog niet te boven. Alle dromen van een betere tijd waren vervlogen. Toch was het ook een tijd van nieuwe uitvindingen als trein en en stoomboten. Er kwamen lucifers, er kwam gaslicht en telegraaf en telefoon. Er kwam een begin van industrialisatie. Alles werd met angst in de ogen bekeken, bang als men was, het beetje werk dat men had, te verliezen. Het was de tijd van Darwin, Dickens en Multatuli en in Zaltbommel, in de achtertuin van de familie Philips, werkte Karl Marx aan zijn boek Das Kapital. Het was ook een tijd van zware epidemieën. Op de Plaet heerste cholera. Rond 1850 zagen we de eerste tekenen van een aarzelend opkomende middenstand. Alles in West-Europa was in beweging en de tijd van voor 1800 zou nooit meer terugkomen. Fort Prins Hendrik Koning Willem I had geen enkele behoefte af te rekenen met het verleden van de Franse overheersing. Ooltgensplaat was nog steeds een vesting en voor iedere verandering was toestemming nodig van de militaire overheid. En natuurlijk was er geen geld: aan restauratie in de trotse oude stijl daar viel niet aan te denken. Zo zijn er veel prachtige voorgevels verloren gegaan. De kerkgracht werd gedempt. Het Fort Duqnesne werd omgedoopt in het Fort Prins Frederik en onderging een grondige verandering. Er werden bomvrije kazematten gebouwd en het fort werd in orde gemaakt voor een doorlopende bezetting, omdat in Frankrijk weer eens een republiek werd uitgeroepen. En er werd een nieuwe kerk gebouwd. Het armste dorp van Zuid-Holland was in handen van zeer weinigen. Maar van verzet was geen sprake.. De bevolking leefde in een soort fatalisme. Het was een sterk geslacht en niet kleinzerig. Men aanvaarde alles wat van boven kwam, ingeklemd als ze zich voelde tussen de zware dijken. Men voelde een niet geringe sociale controle, maar men was al heel vroeg “soeverein in eigen kring”. Enkelen zagen kans te vluchten en dan vertrok men op hoop van zegen naar Rotterdam, waar men het zware werk in de havens verkoos boven de ellende van de polders of men ging met de migrantenstroom mee naar Amerika of Indië. Maar dat waren enkelen, de meesten waren aan de grond gebonden, letterlijk en figuurlijk. Elke vreemdeling werd met argwaan bekeken. Van hun die van ver kwamen verwachtten ze niets goeds.. Het grootste deel van de negentiende eeuw leefden de arbeiders onder de grens van het bestaansminimum en bestond dat leven uit werk en honger. Ieder kind moest in die tijd een turf mee naar school nemen om de temperatuur in de school dragelijk te houden Moderne tijd Het dorp werd af en toe opgeschrikt door hollende paarden; ongelukken in een werkplaats of op het land, en onverwachte sterfgevallen. Erger was het wanneer iemand de hand aan zichzelf geslagen had. En dan was het druk op het kerkhof. Er was de sensatie van de eerste auto met volle lichten op door de polder, een enkel vliegtuig dat overvloog en een tijd lang was er de tram die reed op Goeree Overflakkee, van … naar Ooltgensplaat. En iemand had een kastje gekocht, waardoor je een man helemaal uit Hilversum kon horen praten. Dat leek wel tovenarij. Er waren mensen die met de helm geboren waren, die werden met ontzag ontweken. Er waren “beeldwitters” bij, mensen die precies wisten, wie er over enkele dagen sterven zou. Het dorp was een wereldje op zichzelf. Overzien wij nu de welvarende polders, dan ondergaan wij mildheid, die vele tranen wegveegt en een extra glans geeft aan die dingen, die het bewaren waard zijn. .